Hoe de klasseloze uitvaart werkelijkheid werd.
Op 11 maart 1937 maakte de oprichting van de begrafenisvereniging 'Draagt Elkanders Lasten' in Eindhoven een einde aan de schrijnende gewoonte mensen met een openlijk standsverschil te begraven. Deze pagina's bieden een terugblik op dat wat die mannen van het eerste uur bewoog, en het vele dat sindsdien is bereikt.
Op bladzijde 1 van de Statuten van het huidige DELA wordt het doel van de organisatie nog steeds omschreven in die mooie, gedragen taal van 60 jaar geleden. Er staat, onder andere, dat de Coöperatie tot doel heeft
'Ten behoeve van haar leden en hun medeverzekerden een waardige en voor allen een gelijkwaardige verzorging van begrafenis of crematie te waarborgen, goede toestanden te bevorderen op het terrein van begrafenissen en crematies, en zonodig anderszins het maatschappelijk welzijn van de leden te behartigen. Bovendien beoogt de coöperatie niet het maken van winst.' |
|
| |
| Waardig en voor allen gelijkwaardig. Goede toestanden. Geen winst. Voor ons, burgers van de moderne verzorgingsstaat, roepen dit soort woorden uit de crisistijd beelden op die we alleen maar kennen uit de verhalen van ouders en grootouders. Herinneringen aan onverwarmde huizen, eeuwigdurende winters en lange rijen voor het stempellokaal. Indringende verhalen over een uitgesproken klassenmaatschappij en over de gewone man, die zo hard moest sappelen voor zijn brood. In Eindhoven leek de economische crisis harder aan te komen dan elders in het land. Door de aantrekkingskracht van Philips waren duizenden nieuwe inwoners in de voorafgaande jaren in de stad neergestreken. Niet alleen uit het omringende platteland, maar vooral ook uit Groningen en Drenthe. De sociale structuur van de stad, die in korte tijd explosief was gegroeid, bleek bij het toeslaan van de massawerkloosheid niet hecht genoeg om de grootschalige armoede op te vangen. Het gevolg was een reeks mistoestanden die zich in de begrafeniscultuur extra pijnlijk deed gelden. |
|
| |
| Honderden jaren werd het nieuws van een overlijden in de directe omgeving van het sterfhuis of zelfs in het hele dorp 'aangezegd' door de 'aanspreker'. Van een zwartomrande kaart las hij voor bij elke deur, wie, waar en wanneer overleden was. Hij maakt ook bekend wanneer de rozenkrans zou worden gebeden, de Heilige Mis werd gelezen en wanneer de begrafenis plaatsvond.
Terwijl de traditionele burenhulp op het platteland nog enigszins floreerde, werden de Eindhovenaren geconfronteerd met ontwikkelingen die hen meer en meer terugwierpen op zichzelf. Steeds vaker moest de begrafenis door betaalde krachten worden uitgevoerd. Het kwam erop neer dat de aanspreker op last van de pastoor het sterfhuis bezocht, om met de nabestaanden te onderhandelen over prijs en klasse van de mis en de uitvoering van de begrafenis. Zowel het inkomen van de aanspreker als dat van de pastoor was gebaat bij een uitvaart in de hoogste klassen (er waren er tien), met zo veel mogelijk uiterlijk vertoon.
De wantoestanden en de klachten daarover brachten de Eindhovense pastoors op het idee een eigen begrafenisvereniging 'voor alle standen' op te richten, die voor de eenvoudige burger de zaak er niet eenvoudiger op maakte. De geestelijkheid was erbij gebaat dat de vereniging winst maakte. Al spoedig bezat de R.K. Begrafenisvereniging NV een waar monopolie in het uiterst katholieke Zuiden. Vaak praatte de directeur de nabestaanden een zo hoog mogelijke klasse aan. Binnen enkele jaren werd het de parochianen verboden hun overledene door andere dragers dan die van de R.K. Begrafenisvereniging naar het altaar en het kerkhof te brengen.
De burenhulp op het Brabantse platteland
Van oudsher was het op het Brabantse platteland gebruikelijk dat de buren de getroffen familie bij een sterfgeval te hulp kwamen. Het werd als een plicht beschouwd dorps- of buurtgenoten bij te staan in de verzorging van de dode en het regelen van de begrafenis. Het begraven van de overledenen was in de veelal besloten dorpsgemeenschap een sociale gebeurtenis, waarbij de hele buurt was betrokken. De eerste avond na het overlijden kwamen de buren in het sterfhuis bijeen om de rozenkrans te bidden en de taken te verdelen. Meestal nam de naaste buurman de leiding in handen. Hij ging de stoet voor op de tocht van het sterfhuis naar de kerk en van daaruit naar de begraafplaats. De andere buren verdeelden de overige taken: vaak hielden zij de dodenwake, zij waarschuwden familie en bekenden in de omtrek, zorgden voor dragers en zo nodig ook voor een lijkwagen. De dode werd afgelegd door het gezinshoofd van een van de armere families, die daarvoor een geldelijke vergoeding plus het lijfgoed van de overledene kreeg. De eenvoudige vurenhouten kist werd door de dorpstimmerman gemaakt. Op deze wijze was elk lid van de dorpsgemeenschap zeker van een begrafenis die, hoe sober dan ook, voldeed aan de eisen die men aan zo'n gebeurtenis stelde. Bovendien bleven de kosten beperkt, zodat de nabestaanden niet met een onoverkomelijke schuld werden opgezadeld. Het meeste geld werd in de regel besteed aan de uitvaartmis en aan de missen die in de daaropvolgende maanden en jaren (verjaardagen, sterfdagen) voor de overledene moesten worden gelezen.
|
|
| |
| En de armen? Wee degene die zijn uitvaart en zijn graf niet kon betalen! Hij werd 's ochtends 'bij het eerste klokske' op een kar naar de kerk gebracht, zo vroeg dat de rijken er niet mee werden geconfronteerd. Na een korte dienst verdween hij in een armengraf aan de rand van het kerkhof. Zonder steen, anoniem, als had hij nooit geleefd. In dit klimaat was de oprichting van de begrafenisvereniging 'Draagt Elkanders Lasten' op 11 maart 1937 dus niets meer of minder dan een ware geuzendaad. Voor enkele centen per week garandeerde de vereniging haar (katholieke) leden een complete begrafenis, met uitzondering van de bidprentjes en het grafmonument. Een klassenloze begrafenis! Gelijkwaardigheid voor iedereen! Het leek wel of de haan de revolutie kraaide, maar het idee paste perfect in de tijd en de uitvoering was nog mogelijk ook. DELA heeft ongelooflijk veel te danken aan de inzet van die initiatiefnemers van weleer die, gedreven door religieuze en sociale idealen, het voortouw namen voor een coöperatie die ook nu nog steeds zonder winstoogmerk opereert. Mannen met verschillende vaardigheden, die samen hun schouders onder het plan hebben gezet.
|
|
| |
De koude oorlog met de pastoors
Het werven van leden leek vanzelf te gaan. Toen de eerste bodes met een stratenplan en een contributieboekje op stap gingen, hadden zij al tweehonderd adressen te bezoeken. Er werden pamfletten verspreid, advertenties gezet en vergaderingen belegd in rokerige buurtcafés; de leden stroomden toe. Helaas wilde dat niet zeggen dat DELA geen problemen had. Het meest dringende en schrijnende probleem, waar de bestuurders tot ver in de jaren vijftig tegen vochten, was de verstoorde verhouding met de Rooms-Katholieke kerk. De pastoors maanden de plaatselijke kistenmakers en stalhouders dat zij hun nering zouden kwijtraken als zij het waagden voor 'Draagt Elkanders Lasten' te werken. En vele jaren lang kregen de parochianen in diverse wijken en dorpen te horen hoe slecht het wel niet was om te bezwijken voor het aanbod van de vereniging 'Draagt Elkanders Lasten'.
Het maakte allemaal net niet genoeg indruk om de mensen van een lidmaatschap te weerhouden. Maar pijnlijk was het wel. Vooral voor de mannen van het eerste uur, die oprecht vroom waren en met bezieling studie maakten van de liturgie. Zij konden nauwelijks verkroppen dat, zoals de voorzitter het ooit eens formuleerde, elke organisatie van pluimveehouders moeiteloos door het bisdom werd erkend, terwijl het felbegeerde predikaat 'R.K.' aan een zo christelijke organisatie werd onthouden. De ondergrondse oorlog duurde tot ver in de vijftiger jaren, toen DELA al lang de grootste begrafenisverzekeraar van het land geworden was. Onverwacht werd de viering van het 25-jarig jubileum in 1962 ineens opgeluisterd door de komst van de bisschop van 's-Hertogenbosch Mgr. W. Bekkers.
DELA was er blij mee, maar eigenlijk hoefde het al niet meer. Net als elders in Nederland, werd ook in Eindhoven de roep om maatschappelijke vernieuwing gehoord. Omdat DELA altijd een perfecte afspiegeling van de maatschappij is geweest, werd kort na het bezoek van Bekkers besloten de scheidslijnen tussen de verschillende religies op te heffen en de DELA-verzekering beschikbaar te maken voor iedereen.
|
|
| |
Groei en ontwikkeling
Aan het eind van de oorlog had DELA, dat toen alleen nog maar in Eindhoven actief was, al 8.000 verzekerden. In 1950 waren het er 30.000, vijf jaar later bijna 200.000 (zie ook verzekerdengroei).
| JAAR |
|
VERZEKERDEN |
| 1945 |
: |
8.000 |
| 1950 |
: |
30.000 |
| 1953 |
: |
100.000 |
| 1956 |
: |
200.000 |
| 1961 |
: |
500.000 |
| 1966 |
: |
750.000 |
| 1971 |
: |
1.000.000 |
| 1982 |
: |
1.500.000 |
| 1993 |
: |
1.800.000 |
| 1995 |
: |
1.900.000 |
| 1997 |
: |
2.000.000 |
Er is heel wat water naar de zee gestroomd voordat het bestuur en de leden hun angst voor een professionele, bedrijfsmatige aanpak overwonnen en, stapje voor stapje, akkoord gingen met achtereenvolgens een echte (betaalde) algemeen directeur, een professionele, geautomatiseerde administratie, een herziening van de inspraak van de leden door het vormen van een Algemene Vergadering van afgevaardigden en een actief, commercieel geïnspireerd beleggingsbeleid. Afgezien daarvan waren er nog andere, belangrijke beslissingen die moesten worden genomen. Wat vonden de leden ervan om van DELA een landelijke coöperatie te maken? Hoe stonden we tegenover crematie? Hoe houden we de kosten in de hand? Moeten we niet eens gaan denken aan het bouwen en exploiteren van eigen uitvaartcentra en crematoria? Door de jaren heen vond DELA belangrijke adviseurs, die zich sterk maakten voor de coöperatieve gedachte en wilden meehelpen de organisatie op een hoog peil te brengen. Onder hen bevonden zich mensen als de econoom Prof. Dr H.O. Goldschmidt, die de strategie ten aanzien van de beleggingen ontwikkelde en de latere staatsraad Mr J.H. Blaauw. De heren Dr J. Kremers commissaris van DELA en oud-gouverneur van Limburg en Prof. Mr F.H.J.J. Andriessen, die na een afwezigheid als gevolg van hoge politieke functies weer terug is bij DELA als voorzitter van de Raad van Commissarissen, hebben ook hun stempel gedrukt op de ontwikkeling van DELA. De directie van DELA heeft met steun van deze commissarissen ervoor gezorgd dat DELA niet alleen over de middelen, maar ook over de overtuiging beschikt dat een voor iedereen waardige en goed verzorgde uitvaart nog steeds een waardevol doel is om naar te streven.
Bij het schrijven van dit artikel is gebruik gemaakt van het boek "50 jaar DELA 1937 - 1987" van de auteurs J.J. Dankers en J. Verheul. |
|